luxielen

luxielen

SYMPATHIE - ANTIPATHIE

OnderwijsPosted by Luc Cielen 27 Mar, 2017 10:20:34

Tussen schoolrijpheid en puberteit beleeft het lagereschoolkind het hoogtij van zijn gevoelens; het zweeft als in een overweldigende droomwereld tussen liefde, haat, vreugde, smart, enthousiasme, afkeer en bovenal empathie, terwijl zijn denken en zijn kritisch vermogen geleidelijk wakker worden.

De wereld van de lagereschooltijd is dan ook bij uitstek een gevoelswereld die heen en weer drijft tussen de uitersten van sympathie en antipathie. Het is de tijd van de leerkracht-kunstenaar, van de fantasievolle denker, van de meeslepende beeldende verteller, van de lyrische poëet, van de hemelse zanger-muzikant, kortom van hij of zij die een stroom van sympathie weet op te wekken. Een leerkracht die niet ‘vanuit de buik’ kan lesgeven, hoort hier niet thuis. Wie niet kan enthousiasmeren om alzo de kinderen aan te zetten tot leren en werken bereikt niets: hij of zij is de saaie leerkracht, de droogstoppel, de pedant; degene die alleen maar antipathie opwekt bij de leerlingen.

Sympathie helpt de kinderen om zich met de opdrachten en de leerinhouden te verbinden en zet hen aan om aan het werk te gaan. Zij is de verleidster van de wil en daarmee het allerbelangrijkste wat een lagere school kan bereiken: het vormen van wilskrachtige kinderen. Vanuit sympathie ontstaan de mooie ‘kunst’werkjes die de kinderen maken: prachtige tekeningen, sfeervolle schilderijen, mooi verzorgde taal- en rekenschriften en rijk geïllustreerde periodeschriften. Sympathie zet aan tot het creëren van schoonheid en het bewonderen van eigen en andermans werk, want sympathie bekritiseert niet, maar gaat mee in de beleving. Zo ontstaat uit sympathie een hechte sociale band, zo waardevol voor een gelukkig en kunstzinnig leven.

Maar leren zonder antipathie lukt niet. Wie steeds maar op de sympathiestroom meesurft, ontwikkelt te weinig inzicht en te weinig kennis. Want leren gaat gepaard met catharsis. Uit de sympathiekrachten ontstaat de drang om te leren, te ontdekken. Maar leerstof geeft zich niet zomaar prijs; hij vergt inspanning en roept weerstand – antipathie – op. Zodra die dankzij de wilsinzet overwonnen is, ontstaat er een nieuw en hoger gevoel van sympathie.

Welk kind komt niet in de eerste klas met de hoge verwachting: ‘Nu ga ik leren lezen en schrijven en rekenen’? Er is niets dan sympathie bij aanvang van die eerste klas. Maar dan komt het werk: leren lezen loopt via moeizame analyse en synthese, rekenen kan niet zonder heel veel oefenen, schrijven vraagt inspanning en geduld; de eerste antipathiekrachten openbaren zich al snel met: ‘Juf, dat kan ik niet’ of ‘ik ben moe’ of ‘ik heb buikpijn’ of ‘moet dat?’! Maar zie: opeens zegt een eersteklasser: ‘Daar staat ‘STOP’’ of ‘hé, ik heb mama geschreven’ of ‘3 x 4? Poepsimpel, dat is toch gewoon 12’! Een nieuwe sympathiestroom is ontwaakt en moedigt aan om verder te gaan.

Sympathie en antipathie gaan hand in hand bij het leren in de lagere school. Uit het evenwicht tussen beide ontstaat de heerlijkste leertijd die een mens kan beleven: de lagereschooltijd. En die is énig.

https://www.cielen.eu

  • Comments(0)//lux.cielen.eu/#post43

IS DE STEINERSCHOOL EEN ANTROPOSOFISCHE SCHOOL? (11)

OnderwijsPosted by Luc Cielen 22 Mar, 2017 10:29:43

MUZIEK

Bij mijn weten is de steinerpedagogie het enige pedagogisch concept dat zo veel belang hecht aan muziek, al bestaan er ook andere scholen die muziek belangrijk vinden, maar er anders mee omgaan, in die zin dat muziek er een vak is, terwijl muziek in de steinerscholen niet alleen een vak is, maar op verschillende manieren in de pedagogie geïntegreerd is. Dankzij de vele schoolfeesten is muziek in de steinerscholen een element in de opvoeding waarin kinderen zich al jong kunnen tonen, zingend, en musicerend op instrumenten.

Maar het vak muziek heeft ook een antroposofische achtergrond die vooral tot uiting komt in de manier waarop kinderen tot negen jaar met muziek te maken krijgen. Vanuit de antroposofische inzichten van Rudolf Steiner hebben leerkrachten twee zaken met elkaar verbonden die niet altijd ten goede komen van het kind.

1. Steiner heeft het over de muzikale beleving van de Atlantische mens die niet in staat was intervallen kleiner dan de septime te beleven. Na de ondergang van Atlantis begint het muziekbeleven van de voorchristelijke culturen stilaan wakker te worden voor de kleinere intervallen en wordt het kwintbeleven algemeen. Pas na de komst van Christus is de mens in staat de terts (grote en kleine) werkelijk te beleven en ontstaat die muziek die we vandaag nog kennen met zijn grote en kleine tertstoonaarden.

2. Herhaaldelijk heb ik in antroposofische lectuur gelezen dat het kind in versneld tempo de ontwikkeling van de gehele mensheid doormaakt.

Op basis van de combinatie van punt 1 en punt 2 beweren antroposofisch geschoolde leerkrachten dat het kind tot 9 jaar zich in het kwintbeleven van de voorchristelijke tijd bevindt en dat in de kleuterschool en de eerste drie klassen van de lagere school de kwintenmuziek en de pentatonische muziek de bovenhand moeten hebben. Pas in de derde klas mag men via de kerktoonaarden overgaan tot onze hedendaagse grote en kleine tertstoonaarden.

Dit is een veel te vernauwende benadering van de muziek voor kinderen tot negen jaar, die trouwens van jongs af aan vertrouwd zijn met de huidige muziekcultuur. Het gevolg is dat het muzikale leven van deze kinderen afgeremd wordt.

Om op de antroposofische achtergrond van het muziekbeleven in te gaan laat ik Steiner en enkele muziekleerkrachten aan het woord.

Steiner is voor een niet-antroposoof nogal cryptisch en heeft het onder andere over de sferenmuziek:

De krachten die muzikaal van aard zijn, zijn meer vanuit de buitenwereld, de buitenmenselijke wereld opgenomen, uit de waarneming van de natuur, uit het waarnemen van de processen in de natuur, vooral uit het waarnemen van de regelmatigheden en onregelmatigheden in die natuur. Door alles wat er in de natuur plaatsvindt gaat een geheimzinnige muziek: de aardse projectie van de sferenmuziek. In elke plant, in elk dier is eigenlijk een toon van de sferenmuziek belichaamd. Dat is ook nog het geval met betrekking tot het menselijk lichaam, maar het leeft niet meer in de menselijke spraak, dat wil zeggen, niet in de zielenuitingen; maar wel in het lichaam, in vormen daarvan en dergelijke. Dat alles neemt het kind onbewust op en dat maakt dat kinderen in zo hoge mate muzikaal zijn.

Wat Steiner over muziek gezegd heeft, vind je onder andere op:

http://fvn-rs.net/ zoektermen: quintenstimmung, tonerleben, töne, …

https://www.cielen.eu/steiner-uitspraken-pedagogie-muziek.htm

Elisabeth Lebret heeft het in Muziekboek voor de drie laagste klassen van de Vrije Scholen (1970) ook over de sferenmuziek, maar ook over het muziekbeleven in voorchristelijke tijden en zelfs preatlantische eonen en geeft tegelijk een beknopte uitleg over het antroposofische mensbeeld:

Rudolf Steiner deelt ons mee dat er tijden geweest zijn, waarin de mens nog geen tonen binnen de kwintomvang kon beleven. In nog oudere tijden geen tonen binnen de septiemomvang, en dáárvoor niet binnen none- en zelfs decimeomvang. Wanneer de mens toen muziek hoorde, geraakte hij onmiddellijk buiten zichzelf, en beleefde de sferenharmonieën in de bovenzinnelijke wereld. (Zie: Die Welt der Hierarchien und die Welt der Töne, 16 maart 1923.) Pas langzaam werd het de mens mogelijk, kleinere intervallen, ook die binnen de kwint-omvang te beleven. Toen was het ‘ik’, de bovenzinnelijke kern van de mensen, zóver in verbinding met het (toen nog heel anders zijnde) fysieke lichaam gekomen, dat boven beschreven “Entrückung” niet zomaar meer plaats vond. Na de zondvloed was deze verbinding zo nauw geworden, dat de eerst uitgeklapte kwinten nu ook binnen het octaaf in een toonscala konden worden ervaren.

Heel in het kort gezegd: hoe verder het ik indaalt in het fysieke lichaam, hoe nauwer de intervallen worden, die het ik kan beleven.

Hier wordt in een notendop een proces beschreven, dat niet door eeuwen, maar door eonen heen zich voltrok. Er wordt verband gelegd tussen muziek en het mensenwezen in zijn geleidelijke afdaling in een fysiek lichaam, een ontwikkeling, die zich ook in elk apart mensenwezen voltrekt. Hiermee hebben wij in het onderwijs te maken. Wanneer Rudolf Steiner de pentatonische ladder aanbeveelt voor kinderen tot het negende jaar, dan ligt de vraag voor de hand of dat ene interval dat daarin niet voorkomt, de halve toonafstand, op deze leeftijd nog niet echt ervaren kan worden, omdat het ik zich nog niet ver genoeg met het fysieke lichaam heeft verbonden. De grondtoon, een fenomeen dat eveneens pas in een later stadium thuishoort, wordt door kleine kinderen ook nog niet als zodanig beleefd. De grondtoon is vooralsnog: vader en moeder, meneer of juffie. Een eerste klas is volkomen tevreden, als een liedje op de terts boven de grondtoon blijft hangen, of op de kleine terts onder de grondtoon. Dit, en het ontbreken van halve toonafstanden geven aan het pentatonische nu juist die openheid, die natuurverbondenheid, die karakteristiek is voor deze scala.

De volledige tekst van Elisabeth Lebret vind je op:

http://www.vrijeschoolliederen.nl/artikelen/vrijeschool-leerplan/elisabeth-lebret-muziekles-in-de-eerste-klas/

Beatrijs Gradenwitz en Petra Rosenberg schrijven in het nawoord van het liedboek Ik ben een zeemanskind het volgende:

… Je kunt een overeenkomst zien tussen de ontwikkeling van de mensheid als geheel en de ontwikkeling van ieder mens als individu. Hierin kunnen grote bewustzijnsveranderingen worden waargenomen die in de loop van de geschiedenis hun uitdrukking vonden in kunst en cultuur. Ook in de muziek is deze ontwikkeling duidelijk te zien. … In het muziekonderwijs kan dit leiden tot het inzicht in het belang van de muziek in de kwintsfeer voor kleine kinderen tot ongeveer 9 jaar. …Tussen het voorchristelijke tijdperk van de pentatonische muziek…

Uitgaande van de antroposofische visie over de mensheidsontwikkeling enerzijds en de opvatting dat ieder kind de mensheidsontwikkeling in zijn jonge jaren versneld doormaakt anderzijds, wordt er in de steinerscholen op muzikaal vlak pentatonisch gewerkt tot en met de tweede klas en nog deels in de derde klas. Omdat de kinderen echter volop geconfronteerd worden met de hedendaagse muziek die meestal majeur of mineur van karakter is, moet men volgens Steiner, niet te fanatiek aan de kwintenstemming vasthouden. Gelukkig maar.

Wat betekent dit voor de steinerpedagogie?

In de kleuterscholen wordt hoofdzakelijk pentatonisch gezongen en gemusiceerd.

In de eerste klas overheerst de pentatoniek.

In de tweede klas nog pentatoniek en in de loop van de derde klas komt men los van de pentatoniek en komt men via de kerktoonaarden tot de diatonische toonladder.

Op basis van ‘geesteswetenschappelijke’ uitspraken van Steiner — weet er überhaupt iemand hoe de bewoners van Atlantis (als ze al bestaan hebben) muziek beleefden? — dwingt men kinderen pentatonische liederen te zingen, zelfs als die kinderen al lang de pentatonische fase — meestal beperkt tot de zaag- ofte kinderdeun so-la-so-mi — ontgroeid zijn. Kleuters kunnen wel spontaan pentatonisch zingen, vooral als ze improviseren, maar in de eerste klas kom je die spontane pentatoniek nog amper tegen.

Muziek in de steinerschool gaat dus uit van een antroposofische ideologie en jammer genoeg te weinig van een muzikaal-pedagogische visie.

Moet de pentatoniek dan maar ineens uit het curriculum verwijderd worden?

Dat hoeft niet, want pentatoniek heeft bepaalde waarden die ook buiten de steinerscholen erkend en gebruikt worden.

Zo is pentatoniek ideaal om blokfluit te leren spelen. Zie: https://www.cielen.eu/muziek-blokfluit-leren-spelen.pdf

Kwintenmuziek (pentatoniek rond de toon a) is bijzonder goed geschikt om de intervallen te leren.

Met pentatoniek en vooral kwintenmuziek kun je uitstekend instrumentaal improviseren.

Kwintenmuziek – op voorwaarde dat zij werkelijk los staat van maat en grondtoongevoel – kan zeer rustgevend zijn. Maar gebruik ze niet te pas en te onpas, want dan werkt het niet meer. Er zijn leerkrachten die – om de klas stil te krijgen – om de haverklap een kwintenmelodie op een klokkenspel spelen.

Voor uitleg over kwintenmuziek kun je terecht op de site van Elisabeth Lebret.

Hoewel de steinerscholen muziek belangrijk vinden, wordt er te weinig mee gedaan. Zo vind ik op een site van een steinerschool het volgende voor de eerste klas:

Natuurlijk worden er pentatonische liederen met een dromerige en sprookjesachtige stemming gezongen die aansluiten bij de vertelstof. Als Sinterklaas de blokfluit heeft gebracht, leren de kinderen liedjes spelen met twee en drie tonen.

Waarom moeten eersteklassers wachten tot 6 december om met blokfluitspelen te beginnen?

Waarom mogen ze maar twee en drie tonen leren spelen?

Waarom staat er ‘natuurlijk worden er pentatonische liederen …’? Is het zo natuurlijk dat kinderen in de eerste klas pentatonische liederen zingen?

Voor de tweede klas staat er:

In de muziekles wordt er nog steeds pentatonisch (zonder halve tonen) gezongen en sluiten de liederen aan bij de jaarfeesten of de vertelstof (liederen over dieren). Het spel op de blokfluit wordt uitgebreid met de lage tonen en er wordt al eens een ander instrument geïntroduceerd: xylofoon, klokkenspel, eigen instrument …

Als kinderen van nature al veel verder staan dan de pentatonische muziek, waarom hen dan nog dwingen daarmee door te gaan? Soms heb ik de indruk dat steinerscholen de kinderen willen tegenhouden in hun ontwikkeling, terwijl onderwijs juist dient om de ontwikkeling te stimuleren. Onderwijs moet altijd een stap vóór zijn op de ontwikkeling van het kind. Het kind moet zich kunnen ‘optrekken’ aan de leerstof.

Waarom nu pas andere instrumenten introduceren? Die kunnen al van in de kleuterklas uitstekend aan bod komen.

In de derde klas (Elisabeth Lebret):

De pentatonische scala gaan we vaarwelzeggen. De oude kerktoonaarden echter (dorisch, frygisch, lydisch en mixolydisch), met hun sterk religieus karakter, kunnen ons nog goed dienen voor de muzikale omlijsting van die allerbelangrijkste verstelstof: Het Oude Testament.

Daarmee is het gevaar dat de derde klas een religieuze Bijbelklas wordt nog wat groter geworden: kerkmuziek bij de Bijbelverhalen. Als de kerktoonaarden in de oude volksmuziek aan bod komen, is het geen probleem, maar kerkmuziek bij Bijbelverhalen? Eens te meer wordt de steinerschool op deze manier een kerk in plaats van een school.

Waarom worden de verhalen van het Oude Testament de allerbelangrijkste vertelstof genoemd?

Mijn mening is dat het Oude Testament niet in de derde klas thuishoort. Je moet de meeste verhalen uit het Oude Testament als mythes beschouwen en dan horen ze beter thuis in de verhalenstof van 4e-5e-6e klas. Welke verhalen dan wél in de derde klas? Ik geef de voorkeur aan plaatselijke legenden en sagen – zoals bijvoorbeeld Lange Wapper in Antwerpen - en aan verhalen uit de wereldliteratuur zoals Willem Tell, Robinson Crusoë, Alibaba, Robin Hood en zo vele andere boeiende verhalen uit de wereldliteratuur. Vanzelfsprekend moeten de Bijbelse verhalen aan bod komen in de lagere school, want overal zijn er kunstwerken en gebouwen in onze omgeving die daarmee verband houden. Om die reden moeten ook verhalen uit het Nieuwe Testament opgenomen worden in de vertelstof van de lagere school (klassen 4-5-6) en die ontbreken nu.

Willemijn Soer: Muziekmaken met en voor jonge kinderen: over de betekenis van de kwint, maakt het nog wat duidelijker hoe antroposofie de muziek op school beïnvloedt:

… Het kind maakt in zijn ontwikkeling in het kort de ontwikkeling van de mensheid door. Voor zover dat het muziek beleven betreft, heeft Rudolf Steiner dit beschreven in Das Tonerlbenis im Menschen. Zo kunnen we ons voorstellen dat onze zeer jonge kinderen de Egyptische cultuurperiode (+/- 3000 – 800 voor Christus) nog eens doormaken. In die tijd ging voor de mensen het directe beleven van de geestelijke wereld al enigszins verloren en begon het leven van de aarde zich langzamerhand kenbaar te maken voor de zintuigen. Men had dus tot beide werelden, de geestelijke en de aardse, een zekere toegang. Het “ademen” nu tussen die twee werelden, het wisselend “buiten” en “binnen” zijn, uitte zich muzikaal in het interval kwint … Het jonge kind heeft deze adem ook nog in zich; het komt uit de geestelijke wereld, is er nog mee verbonden en onbewust verbindt het zich ook al, door de zintuigen, met de aarde.

In het leerplan van de 2e en 3e klas van de vrijeschool wordt een liedrepertoire aanbevolen van liederen “in pentatoniek en kerktoonsoorten”. Als er een grondtoon ontstaat in kwintenmuziek noemen we het geen kwintenmuziek meer, maar pentatoniek. Volksmuziek uit alle richtingen getuigt hiervan.

Voor de 8-jarigen geeft de pentatoniek precies wat er nodig is: grond onder de voeten en tevens een eerste begin van het aanspreken van een binnenwereld. De kinderen van de tweede klas vragen om stevigheid, uitdaging en humor en dit alles is niet meer alléén in de kwintenmuziek uit te drukken.

Het kind in de derde klas verliest de kwint in zijn volle betekenis, verliest de vrije toegang tot de geestwereld. Daar moet iets tegenover komen te staan. Ik ervaar de verhaalstof van de derde klas, het Oude Testament, dan ook als een wijze troost voor een ongeweten verdriet. Wat de muziek kan bijdragen aan deze troost is gelegen in kerktoonsoorten.

Nu is de tijd voorbij waarin de volwassene voor het kind een muzikale omgeving schiep, hem aan de hand nam en hem door het land van de kwint leidde. Nu is voor het kind de tijd aangebroken om zélf muziek te gaan maken, zich een eigen instrument te gaan kiezen, het notenschrift te gaan lezen én schrijven; nu gaat het kind de muziek dienen, op zijn weg door de wereld van de terts.

Er is nog meer antroposofie vermengd met muziek.

Vele steinerscholen gebruiken antroposofisch vormgegeven instrumenten zoals fluiten en lieren. Het zijn meestal zeer kwetsbare, delicate instrumenten. Ik ben nooit helemaal overtuigd geraakt van de muzikale waarde ervan en heb ze dan ook vermeden. Wat me wel opviel is dat de adepten en overtuigden van deze instrumenten zeer opdringerig te werk gingen om deze instrumenten aan de scholen te slijten.

Toen ik halverwege de jaren ’70 muziekpedagogie gaf aan cursisten die zich bijschoolden voor de steinerpedagogie, werd ik door zo een opdringerige adept opzijgeschoven, want er was volgens hem maar één goede muzikale pedagogie - de antroposofische muziektheorie in combinatie met de antroposofische instrumenten - en alléén die mocht onderwezen worden.

Op een muziekcursus in de Waldorfschool in Stuttgart, enkele jaren later, werd de cursus op een ongehoord brutale manier verstoord door gelijkaardige fanatiekelingen die alle aandacht opeisten.

Weer enkele jaren later ontmoette ik op een bijscholingsweekend in een Duitse Waldorfschool enkele muziekleerkrachten die hun beklag deden over de antroposofische muziekpedagogie. Hun bevinding was dat het muzikale leven erop achteruitgegaan was.

In een eerste klas met antroposofische fluiten zag ik dat er onnoemelijk veel meer aandacht ging naar het zijden doekje, de wisser, het doosje en het verzorgen van de fluit dan het bespelen ervan. Bovendien was dat bespelen zo ingehouden dat de kinderen er helemaal geen plezier aan beleefden. En dan na twee tonen weer de fluit schoonmaken, voorzichtig – want die fluiten zijn zo kwetsbaar (blijkbaar zijn er sinds kort wat robuustere fluiten) – in het zijden doekje draaien en dan weer in het doosje. Na de vingerzetting op de pentatonische fluit in eerste en tweede klas moesten de kinderen in de derde klas de andere vingerzetting op de diatonische fluit leren: weer typisch steinerschool, te vergelijken met het leren van kapitalen in de eerste klas, onderkastletters in de tweede klas en gebonden schrift in de derde klas, al houdt men nu gelukkig niet meer zo hevig vast aan dat leren van drie lettertypes. Waarom dan ook niet vanaf de eerste klas een gewone blokfluit (of diatonische fluit) geven?

Ik waardeer de zorg en het respect die de kinderen voor hun instrument hebben (moeten hebben), maar een instrument dient toch in de eerste plaats om bespeeld te worden.

Tijdens een muziekles in een eerste klas zouden de kinderen op de pentatonische liertjes spelen. Na een spreuk - de dag was al begonnen met een spreuk, de handwerkleerkracht had bij begin en einde van de les een spreuk gezegd, en nu dus weer een spreuk - begon de leerkracht met het uitdelen en stemmen van de liertjes. Dat nam zo veel tijd in beslag dat er tegen het einde van de les amper op de instrumentjes gespeeld was: één pentatonisch lied werd op de liertjes begeleid. Omdat het pentatonisch was kon ieder kind gelijk welke snaar aanstrijken met de vingers. Dat was dan tenminste één voordeel van deze instrumenten en van de keuze voor pentatoniek.

Kinderen in sommige steinerscholen worden onbewust ondergedompeld in antroposofische muziekgeschiedenis op antroposofisch vormgegeven instrumenten. Maar gelukkig zijn er ook steinerscholen die hier niet aan meedoen en waar het muzikale voorgaat op de ideologie.

Tot slot:

Vanaf de vierde klas gaat het muzikale leven in vele steinerscholen de goede kant op en komen kinderen meer en meer toe aan volwaardig musiceren, ook meerstemmig en op diverse ‘normale’ instrumenten – al gaat het naar mijn mening nog te traag. Schoolkoren en schoolorkesten bereiken soms wel een hoog niveau.

https://www.cielen.eu/vakken/kunstzinnige%20vakken/muziek.html

https://www.cielen.eu/muziek-blokfluit-leren-spelen.pdf

https://www.cielen.eu/muziek-kleuterschool-lagere-school.pdf

https://www.cielen.eu



  • Comments(0)//lux.cielen.eu/#post42

IS DE STEINERSCHOOL EEN ANTROPOSOFISCHE SCHOOL? (10)

OnderwijsPosted by Luc Cielen 28 Feb, 2017 09:42:26

ANTROPOSOFISCHE BEWEGINGSVAKKEN: EURITMIE en BOTHMERGYMNASTIEK

Steiner mag het vak euritmie zelf definiëren: “Staat u mij toe dat ik nog enkele woorden spreek over de betekenis van het euritmieonderwijs en de opvoeding, die voor het kind juist uit dit euritmie-onderwijs voortvloeit… Het gaat erom dat de euritmie in feite een zichtbare taal is, geen mimische expressie, geen pantomimische expressie, en ook geen gewone danskunst.”

Het innerlijke zich naar buiten laten bewegen, dat is het wezen van het euritmische.

Euritmie is immers niets anders dan het aflezen van heel de bewegingen die het etherlichaam wil maken.”

Wat is euritmie, en waarom is dit antroposofisch? Het antwoord daarop vind je op talloze plaatsen op internet. Ik geef er enkele:

https://vrijeschoolpedagogie.com/category/euritmie/
http://www.cielen.eu/steiner-uitspraken-pedagogie-euritmie.htm
http://www.vrijescholen.nl/vrijeschoolonderwijs/euritmie
https://inspiratievoorouders.wordpress.com/2015/01/19/wat-is-euritmie/
https://vrijeschoolpedagogie.com/2017/03/08/vrijeschool-rudolf-steiner-over-euritmie-7/
(vooral via deze laatste link vind je verhelderende uitspraken van Steiner over wat euritmie is).

Een definitie van euritmie, van de euritmiste Annemarie Ehrlich geef ik ter illustratie mee: “Ik noem euritmie vaak geest- en zielengymnastiek. Oefeningen zijn nooit afgerond, je kan door blijven ontdekken op bewustzijnsniveau. Wat is er allemaal in de ruimte? Bewegend denken verlevendigd.

Uit: https://opwegnaar2020.wordpress.com/euritmie/

In mijn eerste jaren als steinerschoolleerkracht was er een euritmiste op school en kreeg mijn klas ook euritmie. Na overleg hebben de euritmiste en ik samen de inhoud van het vak aangepast zodat de leerlingen – die voordien enorm opzagen tegen dit wekelijks uurtje – toch met enig enthousiasme naar school kwamen.

Toen ik aan de euritmiste voorstelde om de gebaren van de letters te gebruiken in de eerste klas als hulp bij het leren lezen, mocht dit niet, want volgens haar had Steiner erop gewezen dat dit pas later in het curriculum mocht. Vermoedelijk omdat leren lezen een te intellectualistische activiteit was voor eersteklassers. Had Steiner immers niet gezegd dat het leren lezen pas nodig was omstreeks het negende levensjaar?

Dan komen de ouders en zeggen: kunt u er niet iets aan doen dat mijn jongen in een andere klas komt, waar hij een leraar heeft, dan heeft hij wat meer respect. Hij is al acht jaar en kan nog niet lezen en schrijven. - Dat wordt dan toegeschreven aan de omstandigheid dat er een lerares voor de klas staat. De ouders denken dat, als hij een leraar heeft, er een tendens tot beter dresseren bestaat. Op die wijze krijgt men absoluut verkeerde oordelen, die overal rondwaren en waarover we speciaal de ouders moeten informeren. We moeten ze niet schokken. We kunnen niet dezelfde dingen die wij onder elkaar bespreken ook aan de ouders meedelen. We kunnen niet zeggen: wees toch blij dat jullie kind met 9 jaar nog niet kan lezen en schrijven. Hij zal des te beter lezen en schrijven als hij het op 9-jarige leeftijd nog niet kan, want als de mens op zijn 9e jaar al goed kan schrijven en lezen, wordt hij later een automaat, omdat hem dan iets vreemds is ingeënt. Hij wordt een automaat. (zie https://www.cielen.eu/steiner-uitspraken-pedagogie.htm)

De euritmische gebaren voor de letters kun je perfect gebruiken bij het leren lezen in de eerste klas, al zien euritmisten dit niet graag gebeuren zoals ik dus mocht ondervinden. Zelfs zonder antroposofische achtergrond en zonder de diepere betekenis van de gebaren te kennen, kun je de letters, de klanken en de gebaren zeer goed samen laten gaan. Vooral bij de syntheseoefeningen, waarbij de kinderen de letters leren verbinden met de klanken om zo tot woorden te komen, is dit een pluspunt. De gebaren zorgen voor een uitstekende ondersteuning.

De euritmische gebaren bij de letters zijn in feite niets anders dan het schriftbeeld van de Latijnse letter. De klank A wordt gewoon voorgesteld door het gebaar Ʌ, de armen zijwaarts geopend naast het lichaam, al kan dit ook gevarieerd worden door omkeringen ervan en andere mogelijkheden. De klank K is een kappende beweging die heel goed lijkt op de Latijnse letter K, waarbij ik me dan afvraag hoe je dit gebaar dan kunt verbinden met de letters Q en C die ook als K worden uitgesproken, maar helemaal geen beeld van een kappende beweging tonen. Dit komt waarschijnlijk door het feit dat de euritmische gebaren niet uitgaan van de klank, maar van de letter. C en Q hebben dan ook verschillende gebaren, terwijl ze hetzelfde kunnen klinken.

Terwijl de meeste euritmische gebaren perfect aansluiten bij de Latijnse kapitalen is dat voor de E anders. Het gebaar voor de E is gewoon de kruising die in de handgeschreven e te zien is.

De euritmische gebaren voor het alfabet kun je zien op internet. Twee voorbeelden (het eerste ernstig, het tweede ludiek met een knipoog naar een nogal zwart kalifaat):

https://www.youtube.com/watch?v=7VqdifgcIw0
https://www.youtube.com/watch?v=QymPA_Y3cvk

Elementen uit de euritmie kun je in de ritmische oefeningen gebruiken zonder daarvoor antroposofie te studeren omdat ze meestal uit andere disciplines zoals ritmiek en dans afkomstig zijn.

Het vak euritmie is, eufemistisch uitgedrukt, niet het meest geliefde vak van de leerlingen in steinerscholen. Ik heb wel meer kinderen met buikpijn naar school weten komen de dag dat er euritmieles was.

Het positieve van euritmie is dat de kinderen wat extra beweging krijgen, al is het dan zeer sterk geleid en onderhevig aan strakke richtlijnen, terwijl leerlingen meer behoefte hebben aan vrije beweging.

Wegens de hoge financiële eisen van euritmisten was ik geen voorstander van het vak euritmie op school en heb ik het ook nooit ingericht. Euritmie was (is?) wel een onderdeel van de opleiding van steinerschoolleerkrachten waardoor elementen uit de euritmie toch in de klaspraktijk tevoorschijn komen.

Moet euritmie als antroposofisch gegeven uit de steinerschool?

Niet per se, op voorwaarde dat men het vak niet méér toedicht dan wat het is, namelijk een bewegingsvak. Elementen uit euritmie kunnen naast elementen uit ritmiek en dans goed gebruikt worden in gelijk welke school. De grootste waarde heeft ze mijns inziens bij de syntheseoefeningen om het leren lezen te ondersteunen. Muzikaal wordt euritmie (tooneuritmie) een grote waarde toegedicht, maar – zeker waar het de muziekintervallen betreft – schiet ze tekort en is ze amper bruikbaar in een pedagogische context.

----

Het andere bewegingsvak dat in steinerscholen opgang maakt is de Bothmergymnastiek. Sommige kinderen in mijn klassen vonden deze manier van lichamelijke opvoeding wel leuk – ze vonden het meer ‘spelen’, anderen vonden het maar flauw – maar allen gaven ze de voorkeur aan het traditionele turnen, vooral het turnen aan diverse toestellen.

Omdat ik haast geen ervaring heb met Bothmergymnastiek ga ik niet uitleggen wat het is. Definities zijn er op internet te vinden. Bijvoorbeeld deze: https://de.wikipedia.org/wiki/Bothmer-Gymnastik

www.cielen.eu











  • Comments(0)//lux.cielen.eu/#post41

IS DE STEINERSCHOOL EEN ANTROPOSOFISCHE SCHOOL? (9)

OnderwijsPosted by Luc Cielen 20 Feb, 2017 20:36:21

SCHOOLFEESTEN

Een groot pluspunt van de steinerscholen is dat er nog seizoensfeesten gevierd worden. Dat die seizoensfeesten een christelijk karakter hebben, is te wijten aan de eeuwenlange opeising door de christenen die zich deze natuurfeesten hebben toegeëigend. Terwijl in zowat alle onderwijssystemen de seizoens- en christelijke feesten naar de achtergrond verdwenen zijn en vervangen door kunstmatige ouder- en grootouderfeesten en dergelijke, hebben de steinerscholen ze in ere gehouden of in ere hersteld. Waarom? Omdat in de antroposofie Christus een centrale figuur is, wiens kruisdood een essentieel keerpunt is in de aarde- en mensheidsontwikkeling. Het christelijke element in de jaarfeesten is daarom opvallend aanwezig. Bovendien vieren de steinerscholen een feest dat buiten hen en de antroposofische verenigingen nooit een feest is geweest: het Michaëlsfeest, het eerste feest van het schooljaar.

De aartsengel Michaël wordt in de hele Bijbel slechts twee keer genoemd (zie voetnoot 1). In de Openbaring van Johannes is hij de engel die de draak (Satan) tezamen met diens engelen uit de hemel verdrijft en op aarde laat neerstorten. Volgens de overlevering zijn zij in de hel terechtgekomen en kennen we hen nu als duivels.

De naamdag van Michaël (en alle engelen) wordt op 29 september gevierd. Die datum heeft geen speciale betekenis, want is gewoon de inwijdingsdatum van de eerste kerk die aan deze engel werd gewijd in Rome. Dit gebeurde rond het jaar 450. Bijna een halve eeuw later is er sprake van een verschijning van Michaël aan een herder in Puglia (Italië), gevolgd door een resem verschijningen in heel Europa in de volgende jaren en eeuwen, meestal op hoogten: heuvels, bergtoppen enz.

Antroposofisch gezien is Michaël een van de zeven aartsengelen, hoewel er in de Bijbel sprake is van slechts drie aartsengelen (Michaël, Gabriël, Raphaël). Hij is als aartsengel de geest van ons tijdperk (zie voetnoot 2) én tegelijk is hij een van de belangrijkste geestelijke wezens in het antroposofische gedachtegoed waarin men overtuigd is van het bestaan van een bovenzinnelijke Michaëlschool (zie voetnoot 3). Om die redenen is het Michaëlsfeest een belangrijk feest binnen de antroposofische beweging en is het dat vervolgens ook geworden in de steinerpedagogie. Gelukkig wordt dit allemaal niet aan de kinderen uitgelegd – Michaël is voor hen een soort ridder-engel die een draak verslaat – maar het feit dat men een herfstfeest de naam geeft van deze aartsengel wijst toch duidelijk in de richting van antroposofie.

Dat blijkt ook uit de liederen die tijdens dit feest gezongen worden. Twee voorbeelden:

Aartsengel, gij, o maak mij waard
een strijder Gods te zijn.
Geef mij uw blinkend sterrenzwaard,
al ben ik nog maar klein.
Maak rein mijn denken, ’t harte goed
en geef tot drakenstrijd mij moed.

In dezelfde geest klinkt het volgende lied:

Gij zonneheld in gouden pracht, Sint-Michaël.
Wij vragen u, o schenk ons kracht.
Refrein:
Help ons bevrijden,
De vijand bestrijden,
Sint-Michaël

Gij vaandrig uit het hemelrijk, Sint-Michaël.
De eng’len zijn uw legerschaar.
Refrein.

Groot is uw macht en sterk uw hand, Sint-Michaël
Gij heerst op zee en op het land.
Refrein.

Moet een herfstfeest in het teken staan van Michaël? Absoluut niet. Het zou zelfs beter zijn om dit niet te doen en van een herfstfeest gewoon een oogstfeest te maken zonder een of andere heilige of fictieve engel erbij te betrekken. Waarom zouden moed en strijdvaardigheid kwaliteiten zijn die bij de herfst passen en wat betekent dat sterrenzwaard? Michaël als de christelijk-astrologische wachter aan de hemelpoort staat het héle jaar door als het sterrenbeeld Kleine Beer hoog aan de hemel – vlak bij de Poolster, aangezien deze ster de poort naar de hemel voorstelt – en draagt er naast een zwaard ook een weegschaal in de hand om er de zielen van de gestorvenen mee te wegen, goede tegen kwade daden.

Een goed en zinvol herfstfeest heeft geen nood aan bovenzinnelijke en hemelse verklaringen. Wil je toch meer achtergrond geven aan een herfstfeest, vier het dan desnoods op 4 oktober, dan kun je het combineren met de internationale dierendag ter gelegenheid van het naamfeest van Sint-Franciscus, al heeft die ook niets met herfst van doen. Hij en de dieren spreken de kinderen hoe dan ook meer aan dan een mythisch-hemelse gevleugelde gedachte (engel) die allerhande strijdlustige kwaliteiten worden toegedacht.

De andere seizoensfeesten in de steinerschool kun je moeilijk antroposofische feesten noemen, al worden ze weleens met ‘geesteswetenschappelijke’ eigenschappen versierd. Het zijn vooral seizoens- en volksfeesten die in hun verchristelijkte vorm zijn overgeleverd. Het is waardevol dat de steinerscholen er zich om bekommeren deze feesten te blijven vieren. De vraag is echter wat de nadruk moet krijgen: het volkse seizoensfeest of de christelijke inhoud. In vele steinerscholen zie ik het christelijke – vanuit de link met de antroposofie – veel meer op de voorgrond treden dan het volkse, waardoor sommige feesten, hoezeer ze ook verweven zijn met de volkscultuur toch een zeer christelijk karakter krijgen en soms zelfs meer een kerkelijk-religieus feest worden. De adventsvieringen die ik in enkele steinerscholen heb bijgewoond zijn daar een typisch voorbeeld van. Ik heb scholen dan ook herhaaldelijk gevraagd om van de school geen kerk te maken (zie voetnoot 4). Een opvallend gegeven in de steinerscholen in Vlaanderen is het feit dat men zelfs een bepaalde leerinhoud aan een christelijk feest aanpast: zo krijgen de kinderen in de eerste klas de klinkers pas aangeboden in de advent, want het zijn de engelen die deze letters uit de hemel meebrengen ter gelegenheid van de geboorte van Jezus. En Sinterklaas brengt de blokfluit. Dit wil zeggen dat kinderen in de eerste klas minstens drie maanden moeten wachten om met leren lezen te beginnen, want zonder klinkers kun je niet leren lezen. Blokfluit leren spelen gaat pas als Sinterklaas gepasseerd is. Op deze manier mengt men geloof met pedagogische inhouden en zijn de kinderen daarvan het slachtoffer.

Hoe kun je de jaarfeesten terugbrengen tot hun essentie?

Noem het Michaëlsfeest een herfstfeest. Laat Michaël maar over aan de Antroposofische Vereniging en aan de Christengemeenschap.

Of het nu om het Sint-Maartensfeest, adventsfeest, sinterklaasfeest, Kerstfeest, palmpasenfeest, Paasfeest, Pinksterfeest of Sint-Jansfeest (= midzomerfeest) gaat; het zijn allemaal waardevolle seizoensfeesten die het perfect zonder antroposofische uitleg kunnen stellen. Wie daaraan toch behoefte heeft, kan inspiratie opdoen in enkele boeken:

Henk Sweers, Jaarfeesten, Vrij Geestesleven, Zeist, 1991;
Juul van der Stok, Schipper mag ik overvaren? Nearchus CV, Assen;
Friedel Lenz, Hoe vieren wij jaarfeesten met de kinderen? Zevenster, Zeist, 1982;
Emil Bock, De jaarfeesten als kringloop door het jaar, Christofoor, Rotterdam, 1980;
Christiane Kutik e.a., Leven met het jaar, Christofoor, Zeist, 1998;
Rudolf Steiner, Jaarfeesten, Christofoor, 2012;

of kan op zoek op internet, waar haast iedere steinerschool/vrijeschool/waldorfschool uitleg geeft over de jaarfeesten.

Op mijn eigen site vind je uitleg over de feesten zonder antroposofische invloeden: http://cielen.eu/schoolfeesten/index.html

---

1 Daniël 10, 13 en Openbaring 12,7.

² http://www.arendlandman.nl/2010/09/het-michaelsfeest-de-herfst-evening-de-aartsengel-michael-en-het-michaelstijdperk/ en https://www.vrijeschoolbeweging.nl/achtergrond/het-michaelsfeest/

3 http://antropocalypse.blogspot.be/2013/09/michael-hij-die-voor-het-aangezicht-van.html

4 Zie bijvoorbeeld mijn blogpost nummer 12 van 22 december 2013.

www.cielen.eu





  • Comments(1)//lux.cielen.eu/#post40

IS DE STEINERSCHOOL EEN ANTROPOSOFISCHE SCHOOL? (8)

OnderwijsPosted by Luc Cielen 13 Feb, 2017 12:31:24

KAN EEN LEERKRACHT IN DE STEINERSCHOOL ATHEÏST OF AGNOST ZIJN?

Als een atheïst, dit wil zeggen: iemand die niet gelooft in God, goden of geestelijke werelden, les wil geven aan een steinerschool, kan die dat dan? En een agnost, iemand die beweert dat men God, goden en geestelijke werelden niet kan kennen, kan die lesgeven aan een steinerschool?

In een steinerschool hangen doorgaans geen religieuze afbeeldingen, geen kruisbeelden en dergelijke, al is dit niet helemaal waar, want in bijna álle steinerkleuterklassen en in vele klassen van de lagere school hangt een ingekaderde reproductie van de Sixtijnse madonna van Rafael Sanzio. Waarom hangt die daar? Om de kunstzinnige voorstelling van de Madonna met het kind Jezus? Ja, ook, maar vooral omdat antroposofen in dit schilderij een afbeelding zien van hoe de mens uit de geestelijke wereld neerdaalt op aarde en de twee kleine engeltjes vooraan zouden de twee fameuze Jezuskinderen zijn die Steiner uit zijn geestelijk schouwen heeft meegebracht. Wil je meer weten over wat antroposofen in dit schilderij zien, lees dan eens wat Lieven De Brouwere erover schrijft in zijn blog https://vijgennapasen.wordpress.com/tag/sixtijnse-madonna/(jammer genoeg moet je eerst door een korte vileine tekst over de islam) De Sixtijnse madonna is in steinerscholen de evenknie van het kruisbeeld in katholieke scholen: een symbool van de geloofsovertuiging die er uitgedragen wordt.

Ondanks de overal aanwezige Sixtijnse madonna, de dagelijks herhaalde spreuken en de antroposofische visie op geschiedenis, plantkunde, mens- en dierkunde beweren de steinerscholen geen levensbeschouwelijke scholen te zijn. Godsdienstonderwijs wordt er ook niet gegeven. Als atheïst of agnost zou je er dus probleemloos aan de slag kunnen. Maar dat is niet zo. In een gesprek met een lid van de Federatie van Steinerscholen in Vlaanderen werd het me duidelijk gemaakt dat een steinerschool zonder antroposofie niet kan. Je kunt geen leerkracht zijn in een steinerschool zonder de antroposofie te omhelzen. En dat is nu net het probleem: als je in een steinerschool wil lesgeven – bijvoorbeeld omdat je je aangetrokken voelt door het kunstzinnige – dan MOET je de antroposofie erbij nemen. Dat wil zeggen dat je alles wat Steiner verkondigd heeft, moet aanvaarden. Het staat trouwens in zowat alle aanwervingsvoorwaarden: je moet je willen verdiepen in de antroposofie. In de praktijk komt het daarop neer dat je meedoet met wat enkele leidende figuren in elke school opleggen: de spreuken zeggen en de verplichte steinervoordrachten lezen. In vele scholen kom ik echter leerkrachten tegen die amper iets van Steiner gelezen hebben, en er zich ook weinig van aantrekken. In hun lessen geven ze wat anderen hen aanreiken of ze baseren zich – helaas – op werkboekjes en schriften van leerlingen uit voorgaande klassen. De weinige leerkrachten die zich antroposofisch scholen houden zich dikwijls meer met antroposofie bezig dan met pedagogie, maar hun vocabularium verspreidt zich wel over de hele school. Zo kom je leerkrachten tegen die – zonder enige ervaring met de geestelijke wereld – vol ernst en overtuiging spreken over etherlichaam, astraallichaam, bewaarengelen en een moed verstrekkende aartsengel Michaël, wiens naamfeest op 29 september in elke steinerschool gevierd wordt, doordrongen van het antroposofische gedachtegoed, terwijl men dan net zo goed een mooi herfstfeest kan vieren en dat ook zo noemen.

Toch heeft die antroposofische invloed in de scholen een gunstig effect. In elke steinerschool ontmoet je cultuur. Geen banale gesprekken over voetbal, koers of andere dagdagelijkse besognes, maar oprechte gesprekken over de kinderen, over kunst, over culturele evenementen. Op deze scholen wordt er nagedacht en vanuit een filosofische visie – hoe eigenaardig die ook mag zijn – gehandeld. Er is oog voor schoonheid, er leeft respect voor mens en omgeving. De materialen, van natuurlijke oorsprong, zijn met zorg gekozen. De klasinrichtingen zijn eenvoudig en de versiering sober, helemaal het tegengestelde van wat je in andere scholen soms ziet. Vergelijk een rust uitstralende steinerkleuterklas maar eens met een kleuterklas uit reguliere of alternatieve scholen: wat een schreeuwerige kakofonie kom je daar niet tegen!

Wat ik zoek, niet voor mezelf, want ik heb het voor een groot deel kunnen realiseren, maar voor de vele ouders op zoek naar een goede school voor hun kind, is een school waar minstens dezelfde zorg, minstens dezelfde kunstzinnigheid, minstens hetzelfde respect heersen als in een steinerschool, maar dan zonder de antroposofische indoctrinatie. Kortom een steinerschool waar atheïsten en agnosten zich thuis kunnen voelen. Moet dat dan zonder Steiner? Helemaal niet, want de beste pedagogische ideeën van Steiner komen niet voort uit zijn antroposofie, maar uit zijn gezond boerenverstand of heeft hij van anderen. Het blijft hoe dan ook zinvol om Steiners teksten en voordrachten over pedagogie te lezen. Een school ook waar pedagogische werken van andere auteurs met aandacht gelezen en besproken worden, want Steiner is niet de enige zaligmakende pedagoog. Zijn leerplannen hebben dringend een update nodig om te voldoen aan het eenentwintigste-eeuwse leven – we leven toch ook niet meer in de maatschappij van 1919 – en aan de huidige wetenschappelijke inzichten.

Hoe kun je een steinerschool zonder antroposofie creëren?

Vervang de spreuken door liederen die geen religieuze inhoud verkondigen. Er zijn meer dan voldoende mooie liederen om een schooldag mee te beginnen en mee af te sluiten. Of zeg een spreuk zoals die spreuk van Christian Morgenstern die vóór het eten gezegd wordt: zonder antroposofische geloofsverkondiging. Een mooi gedicht kan ook voor wie houdt van een poëtische opmaat, maar zeg niet jaren achtereen dezelfde spreuk of hetzelfde gedicht.

Schoolfeesten kunnen gemakkelijk losgekoppeld worden van de antroposofie aangezien het seizoens- en volksfeesten zijn. De zogezegde geestelijke achtergronden ervan heb je niet nodig om een zinvol feest te vieren. Een Michaëlsfeest is ook gewoon een herfstfeest; een Sint-Jansfeest is ook gewoon een midzomerfeest. Kerstmis mag gerust over de geboorte van Jezus gaan, maar ook over Mithras of Boeddha of Mozes en het kan tegelijk ook een algemeen geboortefeest zijn.

Vakken als geschiedenis, plantkunde, mens- en dierkunde laat je aansluiten bij de hedendaagse stand van de wetenschappen. Deze vakken hebben echt geen behoefte aan antroposofie. Het vak menskunde zou een volwaardig vak moeten worden in 4e, 5e en 6e klas. En gezien de grote ontwikkelingen op sterrenkundig en weerkundig vlak en op het gebied van ruimtevaart zou een vak als astronomie zeker moeten toegevoegd worden aan het curriculum van de lagere school.

Lees en bediscussieer met de leerkrachten oude en recente inzichten op pedagogisch vlak via boeken, handleidingen enz. Naast Steiner en Montessori moeten boeken van bijvoorbeeld Freinet, Furedi, Omer, Moonen, Van den Broeck, Verhaeghe, Savater, Masschelein, Stevens en vele anderen bestudeerd worden.

Om terug te komen op mijn vraag: Kan een atheïst of agnost leerkracht zijn aan een steinerschool?

Ja, als die steinerschool al de antroposofische elementen achterwege laat. Een instituut zoals een school hoeft geen antroposofische instelling te zijn; alleen de Antroposofische Vereniging is een antroposofische instelling. In een steinerschool (of gelijk welke school) kunnen leerkrachten als persoon, als individu, antroposoof zijn, maar de leerkrachten mogen gelijk welk geloof aanhangen of atheïst/agnost zijn, want een religieuze of niet-religieuze overtuiging maakt deel uit van het geestesleven en dat moet, zoals Steiner aangeeft, vrij zijn. Het is dan ook een noodzaak dat alle elementen in een steinerschool die vanuit een antroposofische visie afkomstig zijn, eruit verwijderd worden. En het christelijke? Omdat dit nu eenmaal tot onze cultuur behoort en tot voor korte tijd zo goed als allesbepalend was in onze maatschappij, moet het voorlopig nog als cultureel erfgoed aan bod komen. Er is zo veel in onze wereld dat naar het christendom verwijst dat de kinderen er recht op hebben om te weten wat dit is en waarover het gaat. Zodra de christelijke relicten verdwenen zijn, zal het christendom enkel en alleen nog in geschiedenislessen behandeld worden.

www.cielen.eu







  • Comments(1)//lux.cielen.eu/#post39

HANDSCHRIFT

OnderwijsPosted by Luc Cielen 13 Feb, 2017 10:27:34

Wellicht heb je ooit op vraag van je vierjarige kleuter zijn naam op zijn tekening geschreven. Hoe deed je dat? Veel kans dat je zijn naam in blokletters hebt ‘getekend’. Inderdaad getekend, want blokletters schrijven is een vorm van tekenen. Je kleuter heeft al snel in de gaten hoe hij zijn naam nu ook kan tekenen en het maakt hem niet uit of hij deze nu van links naar rechts tekent of andersom of gespiegeld of links of rechts of midden op het blad en liefst van al groot. Zijn fijne motoriek laat doorgaans nog geen kleine lettertjes toe; die lukken pas veel later.

Als de schoolrijpheid zich aankondigt tekent de kleuter zijn naam al vlot en zie je dat de rechte en gebogen lijnen daarin met vaste hand neergezet zijn. Tijd dus om met het vormtekenen te beginnen. Dit tekenen van vormen gaat uit van wat de ex-kleuter, nu eersteklasser, beheerst: de rechte en gebogen lijnen, waarbij alle mogelijkheden van de fijne motoriek geoefend worden: vanuit de schouder, de elleboog, de pols en de vingers. De stevige druk van kleurpotlood of waskrijt op het starre tekenblad verandert stilaan in de lichte toets van schetspotlood en vulpen op het veel soepeler schrijfpapier. Juiste pengreep en bijpassende elegante schrijfhouding vullen de vrijere houdingen en bewegingen van het tekenen aan.

Via tientallen mooie, sierlijke maar ook stevige lijnoefeningen, waarin alle kenmerken van het gebonden schrift verwerkt zitten, komt in de loop van de eerste en tweede klas het gebonden schrift – de kinderen noemen het lopend schrift - tot stand. Waar aanvankelijk de blokletters nog mochten getekend worden voor namen en woorden bij de sprookjesachtige letterbeelden, schrijven kinderen van de tweede klas briefjes en verhaaltjes in letters die soms inventief, soms vrolijk, soms haperend met elkaar verbonden zijn.

Hoe snel evolueert het kinderlijk schrijven daarna tot een eigen handschrift waarin temperament en karakter tot uitdrukking komen. Sommigen schrijven groot en hoekig, anderen houden van klein en sierlijk. De een drukt hard en produceert met zwaar labeur dikke letters die bladzijden verder nog te herkennen zijn in de afdruk die ze achterlaten in het papier; een vastlopend schrift in 3D als het ware. De ander zweeft met de pen over het blad en laat etherische, haast onzichtbare teksten na als zijn ze met engelenhand geschreven. Gestileerde uniformiteit, ondanks de gezamenlijke oefeningen en de methodische aanpak is na enkele jaren ver te zoeken, en zo hoort het ook, want aan zijn geschrift ken je het kind. Je bent zoals je schrijft en vice versa.

www.cielen.eu






  • Comments(0)//lux.cielen.eu/#post38

ATLANTIS en GESCHIEDENIS IN DE VIJFDE KLAS

OnderwijsPosted by Luc Cielen 10 Feb, 2017 13:14:27

VRAAG VAN PIETER WITVLIET

Ik wil iets vragen over ‘Atlantis’. Luc merkt terecht op dat Steiner ‘zijn’ Atlantis als realiteit beschouwt en niet als legende. Steiner zou, volgens Luc, geadviseerd hebben met Atlantis te beginnen.

Begrijp ik het goed, dat het Steiners aanwijzing is, dat het geschiedenisonderwijs in klas 5 moet beginnen met Atlantis en wel het Atlantis van Steiner, dus het antroposofische Atlantis, dus Atlantis als antroposofie.

Atlantis als antroposofie aan de leerlingen van de 5e klas. Zie jij het zo?

----

Het is goed om nu en dan de puntjes op de i te zetten. Ik ben Pieter ten zeerste dankbaar dat hij dit hier doet, want als ik schrijf dat Steiner geadviseerd heeft om met Atlantis te beginnen, dan lijkt het wel of Steiner dit letterlijk zo gezegd heeft, terwijl dat – voor zover ik kan nagaan – niet zo is. In geen enkele pedagogische voordracht van Steiner komt deze uitspraak voor. Waarom beweer ik dan dat Steiner dit geadviseerd heeft?

In de eerste plaats omdat ik dat zelf zo vernomen heb in de opleidingen die ik iets meer dan veertig jaar geleden gevolgd heb. Daarin werd onder andere een manuscriptuitgave van een leerkracht aan een Nederlandse Vrijeschool gebruikt waarin de geschiedenisperiode van de vijfde klas tot in detail was uitgewerkt. De auteur begint met Atlantis en behandelt achtereenvolgens de cultuurperioden in de volgorde die Steiner in zijn lezingen over de mensheidsontwikkeling heeft opgegeven. Mijn collega’s in de Vlaamse steinerscholen gebruikten deze uitgewerkte tekst als handleiding bij hun geschiedenisperiode met als gevolg dat je tot op vandaag in zowat alle werkboeken van de leerlingen dit stramien met dikwijls identiek dezelfde teksten - die trouwens – o ramp - van het bord overgeschreven worden - tegenkomt.

In de tweede plaats omdat ik als leerkracht de verplichting heb om me degelijk voor te bereiden en steeds alles in vraag te stellen. Ik ben dus op zoek gegaan in de overgeleverde teksten van Steiner en vond in het boek van Karl Stockmeyer Rudolf Steiners Lehrplan für die Waldorfschulen voldoende elementen om mijn bewering te staven. Het hoeft niet altijd woordelijk in een voordracht van Steiner staan om te weten wat hij bedoelt.

Wat heeft Steiner geadviseerd in verband met het geschiedenisonderricht?

Inhoudelijk zéér weinig. Hij heeft vooral een methodische aanpak gesuggereerd met daarin drie zaken, die volgens mij zeer waardevol zijn:

1. Leid het kind in in de geschiedenis door het een tijdsbesef mee te geven. Het kind geeft een hand aan de vader, die de hand geeft aan zijn vader enzovoort: drie generaties per eeuw.

2. Geef geen beschouwingen, maar vertel over historische figuren.

3. Wat werkt uit elk tijdperk nog door in onze tijd?

Over de inhoud zegt hij het volgende: “Het (kind) moet een persoonlijke verhouding kunnen krijgen tot de historische personen, ook tot de beschrijving van de levenswijze in de afzonderlijke tijdperken van de wereldgeschiedenis.” En op een ander moment zegt hij: “Het geschiedenisonderwijs kan zó worden gegeven, dat we de historische grootheden, de mensen uit de geschiedenis en ook de afzonderlijke impulsen van het tijdperk op een dusdanige manier neerzetten dat het kind levendige morele en religieuze sympathieën en antipathieën ontwikkelt. Dan bereiken we iets wat buitengewoon belangrijk is.”

Als Steiner het over tijdperken heeft, dan bedoelt hij wel degelijk de tijdperken zoals hij die ziet in zijn antroposofisch gedachtegoed. Steiner heeft het dus over de tijdperken van de wereldgeschiedenis en over de impulsen die daarvan uitgaan. Om dit te begrijpen moet je niet op zoek gaan in de pedagogische voordrachten, maar in de voordrachten die over de wereld- en mensheidsontwikkeling gaan. Een handig boek om snel op te zoeken wat Steiner in zijn talloze voordrachten over de tijdperken heeft gezegd is De aardse en de kosmische mens van Bruno Skerath (uitg. Kramat, Westerlo 2012). Daarin staat op blz. 478: “Rudolf Steiner schenkt ons ook hier een leidraad. Hij wijst op een opeenvolging van verschillende beschavingen waarin een doorgaande lijn te zien is, een lijn die uitmondt in de zogeheten westerse beschaving van vandaag… Het gaat om zeven beschavingen, waarvan wij vandaag in de vijfde leven.” Hoger op dezelfde bladzijde schrijft Skerath: “We hebben … te maken met de omvorming, in fasen, van ons astraal lichaam tot de menselijke ziel. Daartoe hebben de beschavingen, waar we in vroeger tijden aan hebben deelgenomen, in beslissende mate bijgedragen.”

Er staan enkele antroposofische visies in de voorgaande teksten:

1. Er zijn zeven tijdperken van beschaving, volgend op de zondvloed ofte de ondergang van Atlantis. Dit is antroposofie, want alleen gebaseerd op Steiners mededelingen uit zijn ‘schouwingen in de geestelijke wereld’.

2. Elk tijdperk duurt 2.160 jaar en is gelinkt aan het lentepunt dat doorheen een teken van de dierenriem verschuift. Dit is antroposofie en astrologie ineen. Astrologie kan nooit ofte nimmer leerstof zijn op school.

3. De tijdperken volgen elkaar in de tijd op. Dit klopt niet met de historische werkelijkheid: culturen overlappen elkaar ook of bestaan simultaan naast elkaar en beïnvloeden elkaar.

4. De volgorde van de tijdperken stemt niet overeen met wat de archeologie tevoorschijn brengt. De oorsprong van onze beschaving is niet – voor zover dit nu bekend is – ontstaan in India, maar in het gebied dat gewoonlijk de ‘Vruchtbare Halve Maan’ genoemd wordt.

5. Elk tijdperk (cultuurperiode) heeft zijn specifieke impuls voor de ontwikkeling van de ziel. De term astraal lichaam is in deze context alleen voor antroposofen begrijpelijk. Deze bewering steunt ook alleen op Steiners ‘geestelijk schouwen’.

6. Er staat dat we aan de voorgaande cultuurperioden hebben deelgenomen; dit is een verwijzing naar reïncarnatie. En zoals je weet gaan antroposofen ervan uit dat je meer dan eens op aarde leeft.

Natuurlijk zal geen enkele leerkracht de uitleg over de zielsontwikkeling meegeven aan de kinderen, maar het feit dat de geschiedenis ingedeeld wordt in zeven tijdperken na de zondvloed bereidt de kinderen voor op het accepteren van deze visie op geschiedenis. Steiner ziet een teleologische lijn in de geschiedenis, terwijl moderne historici net beweren dat er geen lijn en geen doel in de geschiedenis zit. Steiner is hier dus duidelijk in tegenspraak met hedendaagse inzichten.

In de leerplanvoordrachten zegt Steiner dit: “In de vijfde klas zal men zich dan alle inspanning getroosten om met de kinderen een begin te kunnen maken met de werkelijk historische begrippen. En men moet er ook absoluut niet voor terugschrikken om het kind juist in deze tijd, in de vijfde klas, begrippen bij te brengen over de cultuur van de oosterse volkeren en van de Grieken. De tegenzin om terug te gaan naar oude tijden is enkel opgewekt door die mensen van onze tijd die niet het talent hebben om adequate begrippen op te roepen wanneer men teruggaat naar die oude tijden. Een kind van tien, elf jaar kan heel goed gewezen worden op alles wat hem aan een begrip helpt voor de oosterse volkeren en voor de Grieken, vooral wanneer men voortdurend appelleert aan zijn gevoel.” Die oosterse volkeren in de oude tijden zijn de Indiërs, de Mesopotamiërs, de Perzen, de Egyptenaren. Dus ook hier een referentie naar de cultuurperiodes zoals antroposofen die zien.

Heeft Steiner dan gezegd dat je bij Atlantis moet beginnen in de vijfde klas? Nee, maar uit al wat hij over geschiedenis inhoudelijk verkondigd heeft, kun je niet anders dan bij Atlantis beginnen. Hoe ga je anders over de verschillende cultuurtijdperken spreken?

Mag je Atlantis dan niet ter sprake brengen? Jawel, maar alleen als illustratief verhaal bij de Grieken in de 5e eeuw voor Christus, als je het over de filosofen hebt, en dus ook over Plato.

Los van de antroposofische elementen, die alleen door aandachtige lezers te herkennen zijn, is de grote waarde van Steiners advies, dat hij ervoor pleit om een cultuurgeschiedenis te geven, waarbij hij op andere momenten erop wijst om in elke leerstof het kunstzinnige te vinden. Wel, in de geschiedenisperiode zijn zowel de cultuurgeschiedenis als het kunstzinnige overvloedig aanwezig. Er bestaat geen beter geschiedenisonderwijs dan dit, zeker als je de antroposofische elementen achterwege laat en daarbij ook de volgorde van de culturen (spreek liever niet over cultuurtijdperken) aanpast aan de hedendaagse wetenschappelijke inzichten.

Ik heb nog wel meer opmerkingen over het geschiedenisonderricht in de steinerscholen, maar die vallen buiten het bestek van de vraag van Pieter.

Een aantal van Steiners uitspraken over het vak geschiedenis vind je op http://cielen.eu/pedagogie/steiner.html

Luc





  • Comments(1)//lux.cielen.eu/#post37

IS DE STEINERSCHOOL EEN ANTROPOSOFISCHE SCHOOL? (7)

OnderwijsPosted by Luc Cielen 09 Feb, 2017 11:05:46

HET SCHOOLLIED

Toen ik in 1983 in Brasschaat De Wingerd oprichtte was het geenszins mijn bedoeling een steinerschool op te richten. Er stond me een school voor ogen waar kunstzinnige activiteiten een essentieel onderdeel zouden vormen van het curriculum en alle lessen doordrongen zouden zijn van kunstzinnige elementen. Omdat het overgrote deel van de kinderen en de ouders afkomstig was van de enkele jaren eerder opgerichte steinerkleuterschool in Kalmthout en zij mee hun schouders zetten onder dit nieuwe schoolproject, vonden we een compromis in de benaming van de school: Kunstzinnig basisonderwijs volgens de steinerpedagogie. In de praktijk is de school echter geëvolueerd naar een gewone steinerschool.

De school groeide snel en de behoefte aan nieuwe leerkrachten was groot. Maar waar vind je leerkrachten die ook een kunstzinnige vorming genoten hebben? Alleen in de antroposofische lerarenopleidingen die destijds gegeven werden in Nederland, Duitsland, Zwitserland en aanvullend ook in Vlaanderen. Maar ook leerkrachten die al ervaring hadden opgedaan in de Antwerpse Steinerschool maakten hun opwachting. Zij brachten een nieuw element mee dat zij in hun Antwerpse school hadden leren kennen: het schoollied. Het heeft me veel moeite gekost om dit tegen te houden, want ik houd niet zo van hymnen, vlaggen en leuzen waarachter mensen zich in groep kunnen scharen. Dat hoort thuis in de negentiende eeuw met haar romantiek van de natiestaten. Als je een mens vrij wil maken of de kans wil geven om vrij te zijn, moet je zeker niet beginnen met zulke zaken. Het vrije geestesleven heeft geen nood aan wimpels, vlaggen en stoeten, maar aan individuen.

Eerst wilde men het schoollied van de Antwerpse Steinerschool gewoon overnemen, maar dat kon volgens mij helemaal niet. Maar omdat de muzikale meerstemmige bewerking van het lied wél muzikale kwaliteiten had, was ik bereid tot een compromis. Als instrumentaal nummer kon het gebruikt worden bij het herfstfeest ofte Michaëlsfeest. Dus zonder tekst. Waarom? Omdat de tekst een antroposofisch gebed (spreuk) is tot de aartsengel Michaël, die volgens Rudolf Steiner heerst over dit vijfde na-Atlantisch tijdperk. De tekst gaat als volgt:

Hemellichten stralen op de aarde neer;
gaan in onze harten glanzen meer en meer.
Refrein: Wij willen dragen, sterrenlied in ons bloed.
Michaël, wij vragen, geef ons kracht en moed.

Gouden sterrenkrachten, maak ons denken rein.
Laat onze gedachten klaar en helder zijn.
Refrein.

Zend door onze daden ook uw sterrenlicht,
dat wij hier op aarde trouw voldoen onze plicht.
Refrein.

Net als in de ochtend- en de avondspreuk wordt hier de link gelegd tussen sterren en denken, waardoor weer eens gewezen wordt op het hoofd van de mens als afspiegeling van de kosmos.

Vele jaren later, toen ik de school al geruime tijd verlaten had, vernam ik dat men toch een eigen schoollied gemaakt had. De school heeft nu ook nog een leuze gekregen waar ik me vragen bij stel: Kind mogen zijn om vrij mens te worden. Nu nog de schoolvlag?

www.cielen.eu



  • Comments(1)//lux.cielen.eu/#post36
Next »